Anders kijken en luisteren naar kinderen en jongeren

Hoe kunnen we kinderen en jongeren beter begrijpen in hun zoektocht, hun emotionele lijden?

 

Wat te doen met hun gekraste ziel, bekraste armen, hun ontploffingen, ontembare emoties en apatische gedrag?

 

Zo veel woekert in hen, zo veel doet pijn. Hun nest verdwijnt, oude verbindingen worden doorgeknipt. Van onlust na kleine kwetsuren tot diep leed na zware trauma's, van pijn om een scheiding tot zelfmoordpoging na pestgedrag: kinderen en jongeren geven soms kleine signalen of stellen grote daden die ons machteloos en met veel vragen achterlaten.

 

In Anders kijken en luisteren naar kinderen en jongeren vertelt psychotherapeute Lut Celie in aangrijpende verhalen over wat ze meemaakt in therapiecentrum De Bleekweide, waar ze samen met kinderen en jongeren die even de weg kwijt zijn, op zoek gaat naar de kracht die in ieder jong mens huist.

 

Oké, er is veel pijn, onmacht, angst en verlies, maar er is vooral ook hoop. Helen en herstellen kan als we goed luisteren en leren kijken door een dubbele bril: daar is ze van overtuigd.

Formaat 12,5 x 20 cm

Prijs €19.95

ISBN 978946131146

Publicatiedatum 7 januari 2013

Pagina's 240

Is het kind ziek… of

is zijn omgeving aan herstel toe?

Geen inleiding, voorwoord, geen toelichting besloot ik

hier te maken, wel een pamflet, een manifest. Direct,

zonder veel franje, wou ik daarin de zaken presenteren

zoals ze voor mij aanvoelen en zijn, en alles eruit gooien

zoals mijn grootste leermeesters het graag doen: de kinderen

en jongeren. Daarom dus, met dank aan hen en

als eerbetoon aan hen, deze aanhef. Sta me toe uit te

schrijven, uit te roepen, misschien zelfs zachtjes uit te

huilen, op de eerste bladzijden van dit boek.

Nee, ik heb niet op een zekere dag het licht gezien. Een

aha-erlebnis was er niet. Iets groeide, stil en dwingend,

een vorm van besef. Ik zag en hoorde dingen, het ritselde

door mijn praktijk, het waarde in de gangen en de begeleidingsruimtes

van De Bleekweide. Ook in scholen, instellingen,

op slachtofferdiensten, bij CLB’s of in de lokalen

van de justitieassistenten ving ik signalen op.

Jongeren en kinderen leken met iets bezig. Via signalen

toonden ze zichzelf en deelden ze op hun eigenste manier

zichzelf mee, met hun tools, in hun taal, met inzet

van geest én lichaam. Niet georkestreerd, niet geleid,

heel onbewust. Wat ze precies aan ons, hun begeleiders,

opvoeders, hun leraren, de hele samenleving wilden

melden… ik zag niet meteen een context. Ik bleef wel

kijken en luisteren tot een en ander begon door te dringen.

Ik moest alleen nog taal, samenhang, een vorm vinden

om het te duiden.

 

Ik maakte eerst een balans op, van hoe we kinderen en

jongeren ‘anders’ konden bekijken, hun handelingen lezen,

hun signalen decoderen. Hoe we door hen anders te

zien, beluisteren, dichter bij de kern konden komen van

hun ‘problemen’. Dat waarnemen vanuit het kind en de

jongere en hoe ermee te werken, beschreef ik in het boek

Luister nu eens naar mij!, dat hier nu in aangepaste en

herwerkte vorm ligt. Ik vertel erin hoe kinderen en jongeren

zich met hun onlust presenteren, schets hoe je hen

anders kan bevragen, zodat je onder de oppervlakte van

hun onbehagen tot hun echte ZIJN of pijn komt. Pas

dan kan het naar boven gehaald, kan de heling beginnen,

kan ook dat proces een taal krijgen, wordt innerlijke

kracht opgedolven en kan die woekerende binnenwereld

in herstel komen.

In het werk zelf peuterde ik aan de etiketten die op de

jongelui kleefden, legde ik even de verdicten opzij waarmee

ik ze zag binnen struikelen in de ruimtes van De

Bleekweide. Eigenlijk zeiden ze: ‘Wij kunnen niet meer.’

Maar ook: ‘We kunnen niet meer mee in deze wereld, zoals

die zich rondom ons organiseert, zowel in onze veranderende

miniwerelden, de gezinnen, als op de “macrogrotemensenplaneet”.’

 

Sommigen waren écht in revolte gegaan tegen die omgeving.

Niet met slogans of doorwrochte analyses. Ze

toonden gewoon hun wonden. Soms waren dat zeer

zichtbare wonden, bij anderen zaten ze diep.

Ik zag de laatste jaren hoe die kinderen en jongeren

zich afzetten tegen de ons bekende en vertrouwde systemen

door te schreeuwen of zich van de wereld af te sluiten

en niets meer te zeggen, of door kwaad te worden.

Héél kwaad, in woede-uitbarstingen, in agressief gedrag,

 

zelfs in het ultieme: van hier vertrekken, weg uit het leven.

Ik zag krassen op armen, ik zag bange, gepeste en

pestende kinderen, ik zag magere meisjes, jongens die

waren weggelopen, zelfs kinderen die kort daarvoor met

de blik op oneindig langs een spoorlijn hadden gestaan.

Ik zag meteen ook de angst van de ‘grote mensen’ die het

met groeiend onbehagen, vreesvol, bekeken.

De meeste jongelui waren, voor ze bij ons binnenkwamen,

wegens hun ‘vreemde’ gedrag beoordeeld, gecatalogeerd,

weggezet, gediagnosticeerd, bestempeld en gekwantificeerd.

Hun signaal had een diagnose, een voorkomen, en

zelfs hier en daar de naam van een ‘ziekte’ meegekregen.

Tiens, dacht ik, stel nu dat niet zij ziek zijn… maar dat

het hun omgeving is die in de war is, maar zich tegelijk

als hun strenge heelmeester opwerpt?

Wat wilden die kinderen en jongeren ons écht zeggen?

Het hield me bezig, ik kan het nog altijd slechts in

vraagvorm presenteren. Een groeiende onmacht voelde

ik toen ik kinderen steeds massaler pillen zag slikken

zodat ze voor hun omgeving rustiger werden. Zei men

hier niet: ‘Sjjjt, kinderen’, ‘Zwijg stil, jongere’ of ‘Pas je

aan in ons carcan’? Ik begon me zelfs op te winden en

mijn opwinding uit te dragen, vroeg me publiek af wat

iedereen ertoe bracht te willen verklaren, vatten, beoordelen,

instrueren, ‘medicamentaliseren’. Was het uit

zorg, was het om te begrijpen, te onderdrukken of te

beheersen, of om onder maximale controle te krijgen?

Hun heelmeesters krijgen het niet meer geregeld. Ze

bleven in hun oude expliciete antwoorden steken, omdat

dat veilig was, bekend terrein, een compendium

van zekerheden. Ik zag vooral een wentelende maat-

 

schappij die zich meteen aan voorlopige oplossingen

zette.

Hoe dan ook, het lukte blijkbaar niet om de ‘fenomenen’

te beschrijven, laat staan ze in te dijken. Cijfers kwantificeerden

niet alleen, cijfers stegen. Aantal zelfmoorden,

aantal ADHD’ers, aantal kinderen in jeugdinstellingen,

aantal van-alles-en-nog-wat. Kinderen en jongeren leken

massaal hun aandoeningen en symptomen te tonen. Er

werden onderzoekers op gezet, websites volgeschreven,

kortetermijnoplossingen bedacht. Tiens, waarom werd

niet achter het hele decor gekeken? Dat vroeg ik me de

hele tijd af. En ook, hebben ze met ‘de betrokkenen’ zelf

al gesproken, of ten minste… hen beluisterd?

Pas het voorbije jaar begonnen de puzzelstukjes voor

mijn ogen in elkaar te passen. Toen ik kinderen en jongeren

in De Bleekweide hoorde zeggen: ‘Mogen wij misschien

zeggen waarover het gaat, mogen wij op onze

manier een klein beetje uitleg geven?’ Er kwam een persconferentie

waarop ze vertelden. Sommigen balden hun

vuisten, anderen konden hun tranen niet bedwingen.

Toen kwam via Annemie Struyf de mogelijkheid hun

verhalen aan een ruimer publiek mee te delen. Op de televisie.

 

Kinderen, jongeren, ouders steunden het initiatief,

wilden meedoen, wilden mee tonen aan de buitenwereld

waar het ongenoegen zat en dat er een taal bestond om

dat uit te zoeken én om te herstellen. Samen die oude

muur van betutteling rondom hen afbreken, leek de

boodschap. Of ook: het klassieke model werkt niet meer,

laat dan degene aan het woord die het aanbelangt.

 

‘Wees niet bang voor uw burgers’, gaf David Van Reybrouck

politici mee toen hij met een burgertop, de G1000,

nadacht over een ‘anders-democratie’. Graag sluit ik me

hierbij aan vanuit wat ik ken: ‘Opvoeders, brede samenleving,

wees niet bang voor uw kinderen. U noemt het

kind afwijkend, maar dringt zich niet stilaan de vraag op

in hoeverre hun context afwijkend, dolgedraaid en aan

heling toe is?’ Ik vraag niet om die vraag positief te beantwoorden.

Ik zou enkel graag hebben dat we die vraag

in een breed debat durven te stellen. Antwoorden en

snelle oplossingen hoeven voorlopig niet. Die stromen er

wel uit voort, eens we anders naar die jongelui en hun

tekens kijken.

Uiteraard hoorde ik meteen ook al galmen: ‘Oei, het

kwetsbare kind in het publiek te kijk zetten… moet dat

kind niet beschermd worden, moeten we het niet sparen?’

Daar wil ik graag tegenover zetten: ‘Vanwaar die

gedachte? Hoe komt het dat het kind volgens ons zijn

armen niet mag openspreiden en z’n stigma’s tonen?

Waarom mag het niet tonen hoe het vanuit zichzelf naar

de bij hem passende oplossingen zoekt voor zijn onlust

en “onwelbevinden”? Wie durft dit zogenaamd naïeve,

kwetsbare kind zwak te noemen? En waarom is het zogenaamd

zwak? Omdat het nog niet helemaal af is, nog

onderweg? Nog niet door de laatste boetseer- en polijstsessies

van “de alwetende volwassene” gepasseerd?’

Is het niet net krachtig dat het kind vrij en onbevangen

het pad wijst dat het bewandelt, dat het ook toont

hoe het op dat pad graag zoekt naar identiteit, zelfvertrouwen

en manieren om met zijn angsten om te gaan?

Waarom zou dat kind dat in zijn tempo vaardigheden zit

aan te leren hierbij geen commentaar mogen geven?

 

Waarom zou iets wat aan het wakker worden is, in een

drukdoende maatschappij enkel oordelend en geregistreerd

mogen worden, en niet door wie het aanbelangt

aan die maatschappij worden teruggegeven? Waarom

zou net dát niet mogen kunnen en mogen zijn, en worden

gestimuleerd of geactiveerd?

Kinderen en jongeren hébben iets te vertellen, aan grote

mensen, in hun eigen taal, tekens en signalen. Ze zijn

niet alleen mijn leermeesters. Ze zijn ónze leermeesters,

onze kleine getuigen. Trouwens, zou net dat ons niet

kunnen bedaren, zouden we onze onmacht, onze drang

om te stigmatiseren niet kunnen ombuigen in normaliseren?

 

Ik heb het gevoel dat de kinderen en jongeren niet alleen

klaar zijn om zich op hun manier uit te spreken, ze

zijn ook klaar om met hulp de kracht in hen naar boven

te halen. Maar mag het alstublieft rustig, zonder druk,

zonder strakke deadlines of hoge doelen en verlangens?

Mogen ze alstublieft zichzelf ontwikkelen in een maatschappij

die hen overbevraagt, waarin ze de ratrace moeten

volgen van de grote mensen. Die eisen resultaten,

wat stress genereert, stellen prestige voorop en lopen

zich vast in drukdoenerij. Zouden we niet beter even

uitdeinen, zakken, zoeken naar essentiële verbindingen,

in het nest en daarbuiten?

Trouwens, over dat nest gesproken. Kinderen en jongeren

staan niet weigerachtig tegenover waarden en normen.

Ze zeggen in hun nesten zelfs steeds meer: ‘Geen

probleem met contouren, maar gééf ze ons.’ Ze voelen

nood aan een kader, afspraken in hun nieuwe nesten,

één of twee, nieuw samengestelde, dat maakt allemaal

niets uit. Enkel binnen die duidelijke contouren, die hen

 

veiligheid en verbinding geven, kunnen kinderen en jongeren

zich ook echt ontwikkelen en zichzelf zijn.

Ik pleit voor open vragen, ik droom van een nieuwe harmonie,

van samenhang, meer verbinding tussen mensen,

tussen een oud systeem en een nieuwer ‘zijn’. Zodat kinderen

niet meer zo hoeven af te zien en te vechten of

noodgedwongen hun kwetsuren moeten exposeren in de

hoop te worden begrepen. Echt alles stellen ze in het

werk om onze aandacht te trekken, te eisen. Hun barricades

staan niet op straat, ze staan in hun nesten. Het

protest toont zich vanbinnen. Ze zijn rebel in eigen huid,

fulmineren tegen de drukte, het ritme, tegen het uiteenvallen

van relaties in de brede zin van het woord, tegen

het gebrek aan communicatie.

Net met die jonge generatie verbinding zoeken, mét

hen, niet over hun hoofden heen, lijkt me een werkbare

manier om naar heling te streven.

Graag sluit ik af met een paar woorden aan hen die dit

alles aanbelangt. Aan mijn en onze leermeesters: de kinderen

en jongeren. Ik heb het ooit als nieuwjaarsbrief in

de krant De Standaard gepubliceerd.

Beste kind, beste jongere,

Ik heb de laatste tijd (te) vaak leeftijdsgenoten van jou

ontmoet die hun kwetsuren tonen, en die soms kiezen

voor drastische manieren om ons iets diets te maken, dat

ze gehavend zijn, of zich niet goed, niet begrepen, niet

herkend voelen. Ik zag ze gelukkig ook recht krabbelen,

herstellen. Het was niet altijd simpel, dat mag je gerust

 

weten. Soms hervielen ze in donkere gedachten, maar na

doorwerken en doorpraten, samen naar kracht zoeken

en die ook vinden, kregen ze weer zin in vriendschap, in

verbinding maken. Kortom, in het leven.

Daarom, omdat ik dat vaak zie, zo’n herstel, wil ik jou,

jongere, die verlangt en bruist en geniet maar soms ook

onzeker is en moe en verlamd van angst, van alles toewensen.

Ik wens jou eerst en vooral de tijd toe en de ruimte om

het moeilijk te hebben, om down te zijn, om een verlies,

een diepe pijn, een breuk, een scheiding, uit te rouwen.

Ik wens jou op zijn minst één mens in de buurt toe die

jou die tijd en die ruimte gunt.

Ik wens je taal toe, om wat in jou woekert uit te tekenen,

uit te spreken, uit te zingen, uit te schreeuwen. Toon wat

in jou vastzit, geef alsjeblieft signalen, zeg op de een of

andere manier: ‘Ik kan niet meer.’ Ik wens je op zijn

minst één mens toe in je buurt die jouw schreeuw, jouw

signaal, jouw taal mag begrijpen.

Ik wens je begrip toe, geen oordeel of sanctie, maar begrip.

Ik wens je het woord ‘opnieuw’ toe van ‘opnieuw

mogen beginnen’.

Ik wens je een nest toe, met opvoeders, ouders, plus-vaders,

meemoeders, noem maar op, die je helpen en je tonen

wat het kader is waarin je opgroeit. Een nest waar

het warm is, veilig, met een hoge rand zodat je er niet uit

kan vallen.

 

Ik wens je een samenleving toe die jou naar waarde

schat, die jou perfect vindt omdat je jezelf bent, die perfectie

niet als een kil of afgeborsteld ideaal ziet. Want je

bent zoals wij volwassenen, onaf, speciaal, iemand met

identiteit. Ik wens je een omgeving toe die jouw identiteit

niet ‘verpest’, die jou pest omdat jij je anders toont

dan de rest.

Ik wens je de rust toe die je in jouw groei verdient. In

die lawine van beelden, van tekstberichten, indrukken

en veranderingen thuis en erbuiten, van verwachtingen,

snelheid en sprintjes trekken. Ik wens je ten minste één

mens in je buurt toe bij wie je rust mag vinden.

Ik wens jou ook vele oren toe, van mensen die juist luisteren.

Die niet meteen komen aandraven met een pasklaar

antwoord, een actie- of een stappenplan, zonder

dat ze je échte vraag hebben gehoord. Ik wens je toe dat

je met hen kan praten, of niets zeggen, dat je gewoon

kan samen zitten, onnozel doen, ontroerd zijn, verbonden

blijven. Verbinding betekent: de draad niet lossen,

zodat je niet eenzaam achterblijft.

Ik wens je ten slotte de zin toe die in onze praktijk heel

groot op de witte muur in de hal werd geschreven, zodat

iedereen ’m kan lezen: Als ik je vraag naar mij te luisteren

en je begint met mij advies te geven, deed je niet wat

ik vroeg. Al wat ik jou vroeg was, luister, niet praten of

iets ondernemen, enkel mij horen. Doen kan ik best zelf,

ik ben niet hulpeloos, misschien ontmoedigd en struikelend,

maar niet hulpeloos.’

 

Beste jongere, ik wens jou een gelukkig, gezond... nee, ik

wens je gewoon ‘het leven’ toe.

 

Lut Celie, psychotherapeut